Member of the broholmer society

Historie van de Broholmer

vidar 1880
De basis van de Broholmer werd al gelegd in de vroege middeleeuwen. Vikingen uit Denemarken brachten mastiffachtige honden mee van hun rooftochten en handelsmissies. Deze honden werden onderling en met hun eigen honden gekruist. Hieruit ontstond een grote hond die gebruikt werd als drijver en bewaker van vee, waakhond en als jachthond bij de jacht op groot wild. Door de jaren heen bleven de voorlopers van o.a. de Engelse Mastiff en Duitse Dog het ras beïnvloeden (en vice versa).

De Deense adel onderhield contact met diverse andere adellijken in de rest van Europa. Honden werden vaak onderling als geschenk gegeven en ingekruist in de eigen honden. Na lange tijd een van de meest veelvuldig voorkomende type in Denemarken te zijn ging dit type hond in de 19e eeuw in aantal gestaag achteruit.

De koninklijke jachtopziener Sehested ging zich voor het ras inzetten en mede dankzij zijn werk werden de aantallen groter en het type meer vastgelegd. Aan hem dankt de Broholmer ook zijn naam. Sehested woonde op het landgoed Broholm en de honden werden in de loop der tijd hiernaar vernoemd. Voorheen was het type ook wel bekend als de ‘Gammel Dansk Hund’ wat ‘oude Deense hond’ betekend.

Ook het Deense koningshuis heeft lange tijd Broholmers gehouden. Koning Frederik VII heeft diverse Broholmers gehouden en noemde deze steevast ‘Tyrk’. Een van deze honden werd in opdracht van de koning na zijn dood opgezet en is nu al meer dan honderd jaar onderdeel van de collectie van het zoologische museum in Kopenhagen.

Tijdens de eerste Deense hondententoonstelling in 1886 werd de standaard van de Broholmer opgesteld en opgenomen in het stamboek van de Deense kennelclub. Van 1859 tot 1929 maakten Broholmers ook onderdeel uit van de collectie van de dierentuin in Kopenhagen. Ze werden hierbij ondermeer gebruikt als surrogaatmoeders voor andere dieren zoals leeuwen.


Twee wereldoorlogen en een grote economische depressie gingen over de wereld heen. Dit maakte de omstandigheden voor grote honden ongunstig en zoals bij vele andere grote rassen nam hun aantal in die tijd dramatisch af. Inschrijvingen bij de Deense kennelclub namen steeds verder af en onafhankelijke organisatie nam het stamboek toen over van de Deense Kennelclub.

Pas in 1974 kwam de Broholmer weer in belangstelling van de Deense kennelclub en werd begonnen met inspanningen om het ras te behouden / reconstrueren. Helaas was er toen nog maar een exemplaar uit het stamboek aanwezig. Dit exemplaar bleek helaas niet meer bruikbaar voor de fok. Hierop ging men door Denemarken op zoek naar stamboomloze exemplaren welke voldeden aan het rasbeeld. Deze zoektocht leverde een klein aantal honden op welke voldeden aan het type en bruikbaar waren voor de fok.

 KnirkeDe zoektocht door Denemarken leverde echter ook enkele zwarte exemplaren op. Historisch onderzoek wees uit dat ondanks dat de zwarte kleur niet is toegestaan in de standaard uit 1886 er af en toe zwarte pups werden geboren. Deze werden vaak opgekocht voor bewakingsdoeleinden bij het pretpark Tivoli. Ook deze honden werden in het fokprogramma gebruikt. Men slaagde erin het type te behouden en weer vast te leggen en in 1982 werden de inspanningen beloond en werd het ras erkend door de FCI. De rasstandaard uit 1886 werd hierbij overgenomen met als enige toevoeging dat de kleur zwart nu wel was toegestaan.

Dankzij het fokbeleid waarbij streng werd gekeken naar de gezondheid en het karakter van de honden is het ras in veiliger vaarwater aangekomen. Het totale bestand is nu net iets kleiner dan 700 exemplaren. Het merendeel in Denemarken gehouden. Sinds 1999 zijn er kleine aantallen naar het buitenland geëxporteerd waaronder ook Nederland. In 2005 is in Nederland het eerste nest geboren waarmee het aantal honden in Nederland toen op een klein dozijn kwam. Door nieuwe import en het voortzetten van de fok in Nederland zal dit echter gestaag stijgen.